Website vernieuwd

Je zal het misschien al gemerkt hebben: de website is een beetje anders ingedeeld. Vroeger kwamen alle ‘posts’ tevoorschijn op de eerste pagina, nu zijn er tabbladen en kom je niet direct meer mijn schrijfsels tegen.

Een overzicht van mijn gepubliceerde teksten vindt je terug in het tabblad ‘TEXTS”. Je kan deze ook nog integraal lezen op de pagina https://www.konrad.re/c/txt.

De site-inhoud komt nu iets statischer over, hoewel het geheel dynamischer aanvoelt. Dat komt goed overeen met de reële veranderingen die hier terug te vinden zijn (nl. om de x weken/maanden iets nieuws).

Stand van zaken

Zoals eerder aangegeven verschijnt mijn nieuwe bundel ander einder.

Dit was gepland op 14/07. Wegens familiale omstandigheden loopt de druk een weekje achterstand op. De nieuwe bundel zal pas vanaf 22 juli 2019 beschikbaar zijn.

De officiële lancering vindt plaats op zaterdag 7 september 2019. Meer hierover volgt later.

Ander einder

Bijna vier jaar na het uitbrengen van mijn eerste verzameling gedichten soms droomt pinokio / soms ook niet, ben ik verheugd een nieuwe bundel voor te mogen stellen: ander einder.

Proefdruk ‘Ander einder’

Wil je graag een voorsmaakje van wat er in staat? Een aantal van de gedichten die ik de afgelopen twee jaar op deze website heb geplaatst werden opgenomen in de nieuwe verzameling.

ander einder kan via deze website gereserveerd worden of bij mij persoonlijk. Mijn geloof in betaalbare literatuur is de afgelopen jaren nog niet veranderd: de nieuwe bundel kan je wederom verkrijgen voor €10 / exemplaar.

Ander einder

voor de schifting

Voor de schifting: het schrijven. Een blik in het notitieboekje waarin de woorden vorm krijgen.

van de acht verzen/gedichten, werden er twee opgenomen in
“soms droomt pinokio/soms ook niet”

the problem with fictional languages

The problem with fictional languages is that you forget what it all meant, years down the line. Case in point:

мы ана дарн ел мы лендора да, мой мы
ескуанда: лендорта ды мар?
мы итаря дарн ел вош ко вармо?
… ды еста ко дарва марн…
Continue reading

XYZ

Kanttekening: Onderstaand verhaal ontstond spontaan, is helemaal niet af, laat staan begonnen, heeft slechts een fractie van z’n potentieel in woorden omgezet, maar beschikt wel over een net andere verhaalstijl. Voor de connaisseurs, is de invloed duidelijk. (Klik om meer te lezen.)

Continue reading

de vastheid van onze stenen

de vastheid van onze stenen vervaagt
des te langer we niet kijken, des te korter ons geheugen
ik was hier al geweest, schreeuwde elke stap die ik zette
een beetje veranderd in de tussentijd, dat wel
zowel de plek als ikzelf: de stroming van de rivier
valt overland wel mee
niet dat ik als de berg sta of lig als de leeuw
mijn zijn is permanent in het verleden gegrift
en ook wel in wat kan, wat mocht
geef mij de vrijheid en ik ga
geef mij de sleutel tot de burcht en ik blijf
de fantasie die mij bindt, versmacht
mijn verlangen
de zon brandt
de duiven baden in ‘t water
ik zit
ik zit

ik zit
niet in wacht, noch in overwinning
de wereld draait en draagt mijn rotsen uit de zee

a human sentiment

wenn Sie das tagenlang nicht glauben wollte
quand vous pensez que le pire a passé
és az éjszaka sötet
найду тебя
and I will lay my hand on your shoulder
niet in medelijden, maar
como si yo fuera el amigo
du alltid vellat
ma mai non ottenuto
le chéile suifidh muid
ir ugnis sudegins

respiratie, suntem aici

This was originally called “a european sentiment”, since it was written in 12 different European languages. The sentiment’s universal however. First exposed to the public eye on the 21st of December 2017, the darkest night of the year.
You can find monolingual translations of the poem in the expanded version of this post: de · fr · en · nl · ru.
German translation redacted by Ingrid T.

Continue reading

we woelen vatten geen slaap

we woelen vatten geen slaap
leiden ons af, spieken naar de klok
weten niet of we dat willen:
de wekker die veel te vroeg afgaat
(wij die te laat gaan slapen)
onverbiddelijk hard
vangt de dag aan
we strompelen de douche in
constateren dat we weer niet aan eten dachten
stappen de deur uit
met tegenzin het werk beginnen
niet morgen vrijaf, maar nu
(liefst natuurlijk ook morgen)
en toch dringt het zich aan
die ene blik uit het raam
een wereld die tot leven komt
en op de horizon
een glimps van de zon
het godvergeten uur daargelaten
de arbeid aan de kant geschoven
de slaap uit de ogen gewreven
en dat slome lichaam daar op z’n stoel
verrijst in ons een gemoed
de ochtend lonkt telkens weer

ты чувствовал меня ранее

ты чувствовал меня ранее
голый, беззащитный
была ночь и звезды светили
дома живёшь без звёздного знака
а здезь нашёл север
ты курил цигарету
и вспомнил прошлое
иногда видишь нечто, а вон изчезанно
иногда проснулся во сне
иногда смотришь кому-то в глаза
и потеряешь моё имя
часто проходишь, быстро
руки в корманах
ноги по земле
без меня тебе хотелось бы летать
а не умеешь

в голове и сидит слон

в голове и сидит слон; скучно мне
и чуть-чуть неудобно. игнорировать не могу,
охотиться тоже невозможно. Он вспомнит
о чём и я забуду. Итак он сидел в сиденье,
мой банк, мой сейф, и видит со мной.
иногда он трубует хоботкам
и я стану глухой и слепой,
он знает, а я совсем нет,
просто вспышка, картина,
впечатление за ретину.

la masse nous tous clone

la masse nous tous clone
jusqu’au cahier vierge chaptitré
nous passons
nous conduissons là, volons en retour
la bocale un labyrint des aquariums
une fiche d’excel pour le contable
nous nous plainons pas
– est-ce que ça n’était pas ce que nous avons voulu
ce que nous avons partagé, rêvé?
la masse s’expire
l’unité devient la multitude
la ligne qui me sépare disparaît
s’éclaire
vivons dans la lumière
(vivons dans l’ombre qui nous étions)
vivons dans la silence de l’orage

de massa kloont ons allen

de massa kloont ons allen
tot een blanco boek met afgebakende hoofdstukken
we stappen voorbij
we rijden heen, vliegen terug
de bokaal een labyrint van aquariums
een excelsheet voor de boekhouder
en we klagen niet – is dat dan niet wat we wouden
wat we deelden, wat we droomden?
massa vervalt
eenheid wordt meerheid
de lijn die mij afbakent verdwijnt
wordt des te helder
we leven in het licht
(we leven in de schaduw van wat we waren)
we leven in de stilte van de storm

Welcome

Hi there!

I’m Konrad. You have managed to reach this website, crazy isn’t it? Almost nobody does, but that’s on me for housing my site in Réunion! Not that a lot happens here. I’m hardly a community, nor am I interested in submerging you in poorly packed commercials. I do however think that it’s important to have a place on the internet where you can decide for yourself how things are run, what’s shown and what happens with it. Something along what Virginia Woolf referred to, only virtually.

Now I can just see you start to wonder what it is I actually do? Well, what can I say? I have a strong preference for poetry and stories. I like to read, but love to write. It’s a bit like breathing, if I’m being honest. On this site you’ll thus find stuff I’ve written in the past. Short stories, a random paragraph, a poem,…

I’m not promising that what you’ll find, is also something you’ll like. I do encourage you to have a look around. Every language is mixed in the mainstream, though you can narrow it down through the menu.

Life is Technicolor: some languages enable associations others cannot compute; sometimes languages interact or complement each other. Sometimes a poem arises in one languages, transmutes itself into another languages, but stumbles trying on the third. It’s the linguistic alchemy that defines modern times.

Konrad

Welkom

Hallo!

Ik ben Konrad en jij bent op mijn website beland, gek he? Bijna niemand vindt z’n weg naar deze plek (ik had mijn digitale thuis dan natuurlijk ook niet in Réunion moeten onderbrengen). Niet dat er veel gebeurt op deze website. Ik ben geen gemeenschap, noch geïnteresseerd in jou onder te dompelen in verbloemde reclame. Ik ben echter wel van mening dat het belangrijk is om een eigen plek op het internet te hebben, waar je zelf kan bepalen hoe de boel er uit ziet, wat er op komt en natuurlijk wat er mee gebeurt. Een beetje waar Virginia Woolf op doelde, maar dan virtueel.

Wat doe ik hier dan, zie ik je al afvragen? Wel, ik heb een sterke voorliefde voor poëzie en verhalen. Ik lees graag, maar schrijf toch iets liever. Voor mij is dat iets natuurlijks. Dus ga je op deze site voornamelijk zaken vinden die ik in het verleden al geschreven heb. Een kortverhaal, een paragraaf, een gedicht,…

Ik beloof niet dat wat je vindt, je ook leuk gaat vinden. Maar ik moedig je aan om rond te kijken. Elke taal is door elkaar gemengd in de hoofdstroom, maar je kan ook een individuele taal kiezen in het menu.

Het leven is Technicolor : sommige talen laten associaties toe waar anderen niet mee om kunnen; soms vullen talen elkaar mooi aan of is er een andere interessante interactie. Soms wordt een gedicht in de ene taal geboren, groeit door naar een andere taal, maar verwelkt in een derde. Het is de taalkundige alchemie die onze moderne tijd definieert.

Konrad

On learning languages

In response to an article on Treehugger, I wrote this:

I’m Belgian, from the Flemish/Dutch-speaking side of things. I thus suffered through obligatory language courses from age ten onwards in French, German and English. After leaving highschool, I studied Slavic languages, learning Russian, Serbian/Croatian/Bosnian as well as studying Old Slavonic.

To say that I’ve had quite a lot of language teachers, wouldn’t be an exaggeration. Some were lousy, others were the best you could get. When the teacher wasn’t good, I hated the language I needed to study. When the teacher was good, their enthusiasm and love of the language got transmitted. So yes, the method is important, yet the method is also highly personal.

Because you are not only transferring text book knowledge, you are emparting a perspective, a way of life, the significant difference between what one culture considers present, as well as past tense. Why certain concepts in a gender-fluid language arise, yet falter in a gender-strict language. Why one’s inside differs from another’s outside.

It’s this lesson that often gets lost in translation, why it’s easier to translate a manual than a poem. Because people come in a million nuances and zvery nuance has, certainly since the written word, been expressed through language. Because language and especially the ability to construct metaphors and build upon that is essentially what raises humans from the animal world.

Knowing other languages, being familiar with a different history of idioms and proverbs, broadens your horizon. Lets you realize how different you are from one another, yet how connected you are to every single person out there.

Somewhere, people wish that their neighbour’s cow will get ill (thus elevating their own position in society). Somewhere, somebody writes a song and wishes that their neighbour’s cow will too stay healthy. It’s a Bosnian reggae song, a post-Yugoslavic expression of peace. I wouldn’t have learned it if I hadn’t studied the language, yet this little nugget of knowledge brightens my day each time I think about it.

So yes, study a different language, widen your world, for the world is wide, yet every road interlinked. Accept that hand and shake it. Wish them well, so that they might wish you well.

sometimes pinokio’s adream / sometimes not

At the end of 2015, I published my first collection of poems, written in Dutch (Flemish). It marked the first official expression of my creativity. The collection is called soms droomt pinokio / soms ook niet and can be bought for a fair €10 on the Dutch ecommerce-platform bol.com, the book distribution network ECI, ordered by your independent bookshop, or bought using this site.

Poetry is a niche activity, literature a preference, and the might of the word rules the ego. Because of these reasons, I went the extra mile to arrange a low price point, took complete command of the publication process and am able to offer you my poems on a cherishable medium.

At this moment in time, this collection has not yet been translated into the English language. Efforts have been made, but it is difficult to cover all nuances. For instance, Flemish Dutch possess the second person singular ge/gij which sounds intimately familiar to the Flemish, yet comes across as downright antiquated to the Dutch. Several of my poems use this form. If I were to translate this phenomena into English, the closest general analogue I’d find would be thee/thou. A better solution would be to simply translate my poems in Scottish English, which would cover more bases, but not all. All this, of course, to illustrate that I have had serious thoughts about translating my poems, but haven’t actually executed these thoughts.

in memoriam

Een tijdje geleden stierf mijn grootvader. Naar aanleiding van dit gebeuren, schreef ik een gedicht over hem.

hij kwam om het gras af te doen
hij kwam om de druivelaar te knippen
hij kwam om vijf minuten te blijven
hij bracht ons patatten
hij bracht ons de humo
hij bracht ons zijn thuis
het hout ging geleverd worden
de tomaten verdeeld
de prei geteeld
hij deed zijn ronde
verborg zijn wonde
tot er geen ontkennen was
de vijver overwoekerde
de kachel brandde harder

hij slaapt nu
en droomt van wij
die wakker aan hem denken

Assimilatie

Vanaf de geboorte ondergaat de mens assimilatie – het denken en handelen vormt zich naar de omgeving, zowel de directe als de indirecte. Gedurende elke stap van het assimilatieproces kan er iets misgaan. Hiervoor kan een biologische oorzaak voor worden aangeduid, evengoed speelt de directe omgeving een fundamentele rol. Het assimilatieproces is een ingenieus systeem, een efficiënte manier om het verdere overleven en de latere kennisvergaring te versoepelen. Waar de assimilatie echter in faalt, is in het bereiken van een ideale assimilatie. Deze wordt deels onmogelijk gemaakt door de afwezigheid van een einddoel, een model dat welomlijnd het streven is van dit proces. De afwezigheid van zo’n doel kan, eens opgemerkt, leiden tot één van volgende karaktertrekken: systeemdwang, vluchtgedrag, lethargie. In alledrie de gevallen kan er gesproken worden van een reactie op het assimilatieproces, reacties inherent aan de menselijke mentale weerstand en eventueel zo problematisch worden dat een interventie noodzakelijk opdat het assimilatieproces versterkt hervat kan worden.

Zittende op een bank

Een vogel kwam aangevlogen uit het zuiden, cirkelde rond het veld, de beek, het kapelleke en de eenzame bomen die het landschap een hoogtepunt gaven, om vervolgens te landen op een tak van de grootste boom. Ge zit op een bankske en kijkt hoe de aankomst van één grote vogel duiven en mussen tot een volksverhuizing motiveert.

Het is na de middag en er zijn wel duizend-en-één zinvolle dingen die ge kunt doen, maar toch niet aan het doen zijt. Een mens, zo denkt ge in uw eigen, is toch ook maar geboren om te sterven – laat mij dan maar rustig genieten van dit moment, van de zon die op mijn gezicht schijnt en het leven dat hier dwaalt.

Vanachter het kapelleke stapt een man op u af. Hij draagt een bodywarmer, botten en heeft een pijp in z’n handen . “Awel, jong,” zo begint hij, “wat zit gij hier nu te doen? Moet gij niet studeren?”

Ge haalt uw schouders op en kijkt hem aan. “En gij? Wat doe gij hier?”

Hij wijst naar de achterkant van het kapelleke, waar ook een veld ligt. “’k Heb ons Andrien op de wei gezet.”

Ge schuift een beetje op wanneer hij zich naast u komt zetten.

“Nu pas?” vraagt ge. Het is tenslotte al juni.

Hij zucht. “Diene paardenklootzak heeft haar een paar weken geleden aangevallen.”

Ge had er al over gehoord, over de mysterieuze mens – vermoedelijk ne vent – die al enkele paarden in de streek geterrroriseerd en gemarteld heeft. “Andrien ook?”

Hij knikt, steekt z’n pijp in zijn mond en haalt een stekske boven om ze weer in gang te steken. “Haar wonden zijn al efkes genezen en ik dacht – ik kan haar ni eeuwig op stal houden.”

“Paarden zijn niet gemaakt om in stallen te leven,” beaamt ge.

Hij trekt een paar keer van zijn pijp en de rookwalm die rond hem hangt drijft naar u toe. Kersentabak, een vreemde verslaving. “Ge hebt nog altijd niet geantwoord op mijn vraag,” merkt hij op.

Ge zucht zelf ne keer. “De mens is niet gemaakt om in een kamerke boeken van buiten te leren, zeker niet als het boeken zijn over boeken of bagger gelijk dat. De mens is gemaakt om op een bankske te zitten niksen.”

Hij schudt met zijn hoofd. “Uw generatie is zo verwend. In mijnen tijd was het nog een privilege om te mogen studeren.”

Ge haalt zelf een sigaret boven en steekt ze op. “Hoe langer dat ik studeer, hoe zinlozer het allemaal wordt. Ge studeert om meer te weten over de wereld, maar het enige dat ge bereikt is dat ge deel wordt van een elitair gezelschap vakidioten.”

“Daar weet ik niets van,” geeft hij toe. “Ik heb nooit gestudeerd en uw ouders en grootouders ook niet. ‘k Ben ook nooit verder geweest als de kust hier in België, of ja – ene keer naar Rijsel, tien jaar geleden. Maar gij? Waar zijt gij al niet geweest?”

Ge denkt er effen over na. “Overal in Europa zo’n beetje. Turkije ook, maar ja, dat is eigenlijk al Europa.”

“Ah ja?” vraagt hij. “Dat wist ik niet.”

“Hoeveel Turken zitten er niet in Gent of Brussel? Hoeveel van die Turken gaan elk jaar terug naar hun geboortestreek, op vakantie? Als dat hun al niet Europees maakt, dan wel de geschiedenis.”

Het is duidelijk dat hij er nog nooit zo over had nagedacht. Ge kunt al voor u zien hoe in zijn hoofd alle Turken in België met hun Belgische auto’s toekomen in een vaag Turkije, hoe de confrontatie tussen emigranten en nablijvers een wisselwerking in gang zet die misschien niet onmiddelijk merkbaar is, maar wel zijn invloed achter laat.

Alsof hij niet tevreden is om de enige te zijn wiens mening gecorrigeerd wordt, vraagt hij nu aan u of ge dat allemaal wel geweten zou hebben, moest ge niet studeren.

Ge probeert het u in te beelden, uw niet-studerende zelf in een parallelle werkelijkheid, waar ge wellicht in een kantoor of een winkel aan ‘t werken zou zijn, of misschien zelfs ‘s nachts in de buitenlucht moest slapen omdat ge gene rotte frank zou hebben. “Waarschijnlijk ni,” concludeert ge. “Maar dat wilt alleen maar zeggen dat het geen tijdverspilling is geweest, dat ik ben beginnen studeren.”

“In tegenstelling tot de toekomst?” pareert hij.

Ge haalt uw schouders nogmaals op. “’k Zie gewoon het nut niet in om per sé een diploma te halen en ergens één of andere kutjob te gaan doen om dan veertig jaar later tot het besef te komen dat ik mijn leven verspild heb in dienst van.”

“Dat is misschien nog een verschil,” zegt hij tussen twee trekken door, “in mijnen tijd had ge het getroffen als ge ergens aan de slag kon voor gans uw leven.” Hij tokt wat as uit zijn pijp en moet ze opnieuw aansteken, want het brandende deel van de tabak was ook op de grond gevallen. “Maar ja, wij verwachtten misschien minder van ‘t leven dan uw generatie. De wereld voelde kleiner aan vroeger.”

Ge smijt uw sigaret op de grond en trapt ze uit. “Terwijl ge nu duizenden kilometers kunt rijden en nog naar de Lidl gaan. Misschien hebt ge gelijk, misschien verlang ik teveel van ‘t leven.”

“Pas op,” waarschuwt hij, “ik zeg niet dat dat iets slechts is, hé. Ik bedoel: ik ken tees dorp en dees streek gelijk gij ze nooit gaat kunnen kennen, maar zet mij in Spanje en ik loop verloren. Gulder zijt veel zelfstandiger, gulder kunt uldere plan trekken.” Hij denkt er nog wat verder over na. “Misschien is dat wel het probleem. Vroeger deed ge wat ge moest doen omdat er geen alternatief was.”

“Ik weet dat ik overal terecht kan,” bekent ge, “dus weet ik ook dat ik de zever van hier niet moet overnemen als ik dat niet wil.”

“Misschien, misschien,” antwoordt hij en is even stil. Hij kijkt op zijn horloge en begint op te staan. “Maar mag ik u vragen om der toch nog eens goed over na te denken?” Ge knikt bevestigend. “Wat ge ook gaat doen, zorgt er gewoon voor dat ge geen bruggen verbrandt, want – en dat is iets wat gij nog niet goed beseft – der zal wel nen dag komen dat ge terug over de rivier zult moeten gaan.”

Lang nadat hij vertrokken is, zit ge nog op het bankske. In de hoogste boom spreidt een vogel zijn vleugels en springt in het ijle, onderweg naar een volgend veld.

woordenstroom

er zat een logica achter je twijfel, een inzicht in het te vermijden – dat wij allemaal weggaan lopen vliegen doorkruisen. de circulaire gedachte van een draaikolk die begint waar hij eindigt, het cijfer acht in ondraaglijke vervoering. en ge kwam onder de mensen, ge zei goeiendag, hoe gaat het, wel met mij goed. en dat was het niet, want in u heerst een gevecht een cannot compute van het bestaan zelf, een orkaan die af en toe opstaat en alle bomen alle huizen wegblaast, een puffende vulkaan, de ruimte buiten de dampkring buiten alles zelfs, voyager in de eindeloze leegte die wij slechts opvangen met foto’s en cijfers, make belief van een te begrijpen. natuurlijk is daar niets mis mee – wij zijn dieren zo slim en beperkt als ons parallelle dierenrijk maar zijn wij dan echt niet meer dan dat? een toevallige schepping, gekneed in gods hand – het beste wat we altijd zullen zijn, want zonder evolutie is er pas gelijkheid – en als dat zo is, wat dan? wat als ons best nog niet genoeg is – moeten wij dan naar de sterren reiken, hopen op een betere, lichtzinnigere dag? is dat dan hoe we moeten leven, dag in dag uit genietend niet kijkende naar morgisteren of een ander? elk een grot, een vuur en een televisie om ons mondjesmaat knock-out te schijnen: elk een zeepbel – spat ze, geen nood, wij blazen al vlug een nieuwe, om maar te zeggen: aardse zaken, waardig leven, uw tijd ten volle benutten – wat is dat en waarom zouden we?

Onderzeeër

De lichten op het plafond waren blauw, de bediening onbelicht. Op de tast zocht hij de knop waarmee alles in orde zou komen, maar vond alleen maar handels. Op, neer, vooruit, achteruit, sneller of trager. De hoorn en de radio. Allemaal waardeloos. Moest zijn portefeuille niet gevuld zijn met dollars en euro’s, hij zou zich afvragen waarom hij het deed. Dat deed hij niet, natuurlijk. Alleen gaf het hem de energie om heel hard “idioot” tegen zichzelf te denken.

De bedoeling van de hele operatie was heel simpel geweest: reis met een duikboot van Europa naar Zuid-Amerika met een lading uranium. Verdachte zaak, betaalt uitstekend. Dus was hij vertrokken. Uranium in een loden kist, de kist in de laadruimte. Genoeg benzine en zuurstof voor een half jaar. En natuurlijk, niet te vergeten, blauwe noodverlichting die niets waard is bij een echt noodgeval. Zoals wanneer het radarsysteem uitvalt, kortsluiting veroorzaakt en er overgeschakeld moet worden op het noodsysteem om reparaties uit te voeren.

Zelfgebouwde onderzeeërs hebben al een hele ontwikkeling meegemaakt. In het niets kan je hen vergelijken met de wrakken die de VS van drugs voorzien. Kan ook niet wanneer je zo’n gegeerde troep transporteert. Maar waar was die duivelse knop nu? Zijn handen botsten tegen een hoek, dwaalden af, vonden de pedalen van de manuele pompen en gingen dan terug omhoog. Ze ontmoetten een klein kastje – juist, de noodactivatie was niet zomaar een knop, maar een echte lichtschakelaar. Hij drukte ‘m in. De blauwe lichten gingen uit en de oorspronkelijke, goede, heldere lampen sprongen aan. Hij haalde opgelucht adem en stond op. De batterijen waren goed voor een uur of twee. In die tijd moest het hem wel lukken de radar te omzeilen en een volledig, werkend circuit op poten te stellen. Dan kon hij zonder problemen en twijfel stijgen tot de oppervlakte om daar de radar deftig te repareren.

Het lukte hem binnen de vijftig minuten, een wonder, en de duikboot compenseerde probleemloos met de veranderde druk. Wanneer hij door zijn periscoop keek, wachtte hem echter een verrassing: militaire schepen, kanonnen en een oproep om zich over te geven.

En dat was het einde van zijn job – in de kiem gesmoord door de NAVO.

Man op een bank

Hij had zich neergezet op de bank met de bedoeling niet veel anders te doen. Dat zag je aan de rugzak aan z’n zij die open lag en sporen van een nakende picknick verraadde. Men merkte het aan z’n houding: uitgestrekte benen, naar achter leunend, handen in zijn zakken. Een tappende voet verraadde de muziek die door de hoofdtelefoon weergalmde, een marslied van de Dropkick Murphys. Cadence to Arms. Op de bank naast hem kwam een andere zitten, vervanging van de jonge breiende vrouw die zonder dat hij het doorhad, was vertrokken. De man was van middelbare leeftijd, ergens in de veertig. Kostuumbroek, leren schoenen. Waarschijnlijk in maatpak, maar de lange overjas verborg dat goed. Z’n lichaam richtte zich naar links, op het gemak. At een zakje chips en had bij zich: een draagtas met kleren in. Boxershort. Een man op zakenreis die even van de zon en het uitzicht wou genieten, rustmoment in een druk leven. Toch even de gsm controleren – wie weet, misschien was er een dringende mail toegekomen. Veel mensen passeren, van de tijdelijke soort met een camera en kind in de hand. Af en toe blijft een oudere man – zelfde type, andere incarnatie – aan de overkant staan. Kijkende. De zakenman belt, een kort gesprek met het thuisfront. Een man met zijn hond passeert. De hond heeft een halsband en loopt op gelijke voet met de man – goed baasje. Koppels passeren, gezins passeren. De dag na Valentijn – de zakenman stapt weg – hoogstwaarschijnlijk schoolvakantie of iets dergelijks. Te veel kinderen met hun ouders op stap om anders te zijn. Mensen kijken op hun kaart, zoeken het kasteel, het station en de naam van de straat. Oriëntatie – essentieel als je ergens geweest wilt zijn, nog belangrijker als je ergens naartoe wilt gaan.

Hijzelf hechtte niet zo’n belang aan kaarten en wegbeschrijvingen. Vertel hem de richting en hij komt er wel, met of zonder omweg. De Dropkick Murphys zijn uitgespeeld – hij verandert de MP3-speler naar een Russische groep met swingende nummers en een mooie persiflage of Abba’s The winner takes it all.

«Зима получит всё», the winter takes it all. Dé poëtischste zin van het jaar dusver. De man aan de overkant kijkt heel even intenser en stapt dan weg. Is dit één of ander ondergrondse ontmoetingsplaats? Vermoedelijk zal hij het nooit weten. Hij besluit er zich geen zorgen meer over te maken. Wolken zweven over de zon, plots wordt het kouder. En donkerder. Mensen nemen dit op als een teken om te vertrekken. Anderen zetten zich dan weer neer. Van alle mensen die hier een halfuur geleden waren, is hij de enige die overblijft. Er zit een kern van waarheid en oprechtheid in die observatie. Waarom mensen zo graag foto’s nemen van gebouwen en zaken die hier binnen twintig jaar nog zullen zijn, hij weet het ook niet.

Zijn keel is droog. Hij kijkt in z’n rugzak. Geen drank bij zich. Nieuwe kopen in de buurt, of terug naar de herberg? De zon komt weer tevoorschijn. Hij kijkt rond zich. Park, onbekend groot gebouw, klerenwinkel, stationsgebouw. Nieuwe kopen, dus. Hij sluit z’n rugzak en doet ‘m om z’n rug. Nu is hij degene die gaat.

Hij & Zij

Dus trok hij zijn conclusies en verliet zijn omgeving. Hij zwierf wat rond in het begin, op zoek naar een plek die ook hij thuis kon noemen. Uiteindelijk vond hij een dorp – drie duizend inwoners – en een job. Postbode. De oude man die het werk vroeger deed, had zijn sofa aan hem aangeboden, maar kreeg al na een week een hartaanval tussen de Wilde Beek en de Perrebroek – net na zijn ronde en een bezoek aan George’s boerderij. Hij had hem gevonden: wanneer de man ‘s avonds wegbleef, had hij bij de buren en in’t café een rondvraag gedaan, waarna een zoektocht werd opgesteld. De fiets had hij eerst gezien, de dode bode pas daarna. Een week later, toen het kerkhof een graf rijker was, werd hem de sleutel aangeboden van de oude postbode z’n huis, alsook het uniform van de ambt. Alsof hij er heel zijn leven had gewoond en de zoon vàn was, werd hij een vertrouwd zicht in het dorpsleven. Altijd wanneer zijn ronde hem langs de Wilde Beek voer, dacht hij terug aan de oude man en hoe, als je er niet voor uitkijkt, het leven je een rol aanmeet.

Zij was er grootgebracht, dochter van de boekskesman, maar had de streek verlaten wanneer ze achttien was. Op zoek naar drukte en claustrofobie was ze in de grote stad beland. Ze had er gestudeerd, journalistiek, en enkele jaren de zoveelste bewoner van een inwisselbaar appartement geweest. Haar vader stierf toen ze achtentwintig was: bij zijn begrafenis ontwaakte in haar de nood aan grenzen en kleinschaligheid. Desalniettemin duurde het nog drie jaar alvorens ze afscheid nam van de stad en het lief dat niet verhuizen wou.

Ze ontmoette hem in de krantenwinkel van haar broer. Hij was zesendertig geworden en bracht boekskes naar het kersverse rusthuis aan de Meulekensdreef. Ze was eens met hem meegegaan en was aan de praat geraakt met de honderdjarige van het dorp. Als een trouwe journalist had ze het verhaal opgeschreven. Weken later, wanneer de vrouw stierf, was het idee gegroeid en de dorpskrant een feit. Met de postbode klikte het ook, dus trok ze bij hem in en vond toen het avontuur waar ze jaren eerder naar was beginnen zoeken.

Eurolines

Ge stapte van de bus af en keek nog even achterom om zeker te zijn dat ge niets vergeten waart. Uw jas had ge aan, uw rugzak drukte tegen uw rug en in uw achterzak voelde ge de aanwezigheid van uw portefeuille. Ge nam een stap naar voor en absorbeerde uw omgeving. Zon. Bomen in bloei. De bus op de asfaltweg. Een maïsveld. Zonnebloemen. In de verte een heuvel of een berg. Dichterbij een beek met ambitie. Vliegen, bijen, wespen. Zingende vogels. Ge knikte.

Vanuit uw ooghoeken zag ge de chauffeur iemand aan hun bagage helpen – er stonden een paar mensen in de buurt, dus zeker wist ge ‘t niet. Uit het bagagecompartement kwam zo’n gigantische geruite zak tevoorschijn. Veel mensen met weinig middelen gebruiken zo’n dingen voor hun spullen. Zelf zou ge zelfs niet weten waar ge ze überhaupt zou kopen. Een schaduw viel over de bus, hoog in de lucht wist een wolk de zon even te verschalken.

De chauffeur had ondertussen zijn goesting verloren om te pauzeren en maande iedereen aan om terug in te stappen. Ge glimlachte hem toe en schudde uw hoofd. “I’m staying,” zei ge. De chauffeur gluurde naar het landschap, de weg en de velden, en bekeek u vervolgens even skeptisch aan. “You need luggage?” vroeg hij. Wederom glimlachte ge. “No, no luggage. Everything is in my rucksack.” Hij keek zo mogelijk nog skeptischer. “Okay,” zei hij ten slotte. “We go. You’re sure?” Ge knikte. Dan stapte hij de bus in en sloot de deuren. De motor startte op, binnen sprongen de lampen collectief aan. De remmen werden gelost en met een kleine aanloop vertrok hij. Ge keek hem na tot de achterruit nimmer te onderscheiden was. Een man en een vrouw hadden elk een handvat van de geruite tas vastgenomen, tilden hem op en begonnen zonder iets te zeggen weg te stappen naar hun bestemming. Twee kilometer om de hoek lag een dorp, afgesneden van de weg door een bos. Ge herinnerde u nog de oude aarden weg die daar lag.

Gij moest daar echter niet zijn: uw pad lag wat verder, tussen de maïs en het zonnebloemenveld. Ge haalde uw schouders even op en dan vertrok ook gij. De wijde wereld in, op zoek naar ruïnes en sporen. Het grote avontuur lonkte.

De conciërge

Er zijn zo’n momenten in een mensenleven wanneer je de balans opmaakt van wat je te verliezen hebt en welk ideaal het waard is om voor te strijden. Zo’n moment had ik al eerder gehad: wanneer ze het huis in beslag namen op mijn zestiende, wanneer mijn mes op de hals van een wilde hond twijfelde en zelfs nog later, wanneer de honger aan mijn ingewanden knaagde en het enige wat ik kon doen onderhoud was. Conciërge zijn van een gebouwencomplex is een uiterst eigenaardig beroep: wanneer de eigendomsakte van handen verwisseld, blijf je bij het gebouw als een ingehuurd spook. Wil men verandering doorvoeren of een plant verpotten, dan is het jouw kantoor waar ze hulp komen zoeken. Zo had ik meerdere bedrijven, huurders en eigenaars meegemaakt – tot ik tijdens een routinerondgang opmerkte wat men dacht te hebben verstopt. Versgemalen aarde ter grootte van een graf. Afval herplaatst om geen argwaan op te wekken. Nu weet ik dat iedere brave burger de politie zou bellen om vervolgens zijn handen in onschuld te wassen. Vertrouwen in de politie en de rechtsgang had ik niet: gegrift in mijn geheugen was de blauwe kap, de strenge tersluikse blik naar de matrak, de walkie-talkie en het pistool. Dus keerde ik terug naar mijn schuur, controleerde het uur en nam mijn schop. Het ding had al een hele tijd niets te doen gehad. Ter compensatie groef ik zes voet diep en kwam uit op een geïmproviseerde kist, gemaakt van pallet en flutnagels. En in dat graf lag een jongen van een jaar of twaalf. Bewusteloos, maar levend.

Toen had ik een keuze te maken, tijd nodig om mijn situatie te laten bezinken. Maar veel was er niet om over na te denken: een kuil zo diep als je hoog bent, dat vereist vastberadenheid en kan op zich dienen als antwoord op de vraag “waarvoor kies je?”. Dus bracht ik hem naar mijn vertrek en verzorgde zijn wonden. Wanneer hij wakker werd, vroeg ik naar wat er gebeurd was. Hij wist waarover ik sprak. Diezelfde nacht, wanneer de ochtend al begon te nevelen, zijn we vertrokken. En zie, zovele jaren later en mijn leven lijkt in het minst niet meer op dat wat het was. Dra verwacht ik nieuws van de geboorte van mijn kleindochter, in geest zo niet in bloed. En jij? Jij was beter niets te weten gekomen. Voor wat ik heb en jij weet, daarvoor dood ik.

De eis

Het bericht bereikte de ministerraad via de minister van Cultuur. Het Museum van Afgrijselijke Kunst had het opgemerkt: een typmachine die uit zichzelf begon te tijpen op een stuk aluminium dat uit het niets verscheen. Ze hadden het – niet beter wetende – gefilmd. Tot de directeur van het museum had opgemerkt ‘wat’ er precies getijpt werd. Een boodschap. Een eis. In zes verschillende talen, gebruikmakend van letters die helemaal niet op het typmachine stonden. De directeur had het gelezen en direct geweten dat het om iets belangrijks ging. Het bericht las: “Belangrijk: bezorg deze boodschap aan uw leiders. Graag willen wij onze kinderen terug. Zij werden ontvoerd in 1963 op Mars en later verhandeld aan vertegenwoordigers van uw land. Doet u dit niet, dan genoodt het ons te zeggen dat uw planeet omsingeld is door gevechtsschepen. Wij hebben bommen en lasterstralen.” De directeur had onmiddellijk contact genomen met een bevriend lid van de subsidiecommissie, die vervolgens het kabinet van de minister waarschuwde. De minister had er vervolgens een archivaris op uitgestuurd en de ministerraad samengeroepen. Meestal wanneer er zo’n noodvergadering plaatsvond, was het vanwege Buitenlandse of Binnenlandse Zaken. De laatste tijd ook wel veel op aandringen van Economie en Ontwikkelingshulp, maar Cultuur? Nooit.

“En Dirk, wat zeggen onze ruimteobservatoren?” vroeg de eerste minister aan ‘s lands voornaamste astronaut.

“Inderdaad, Rudy, er bevinden zich zo’n 314 ruimteschepen in een geostationaire baan rond de Aarde, allen houden ze koers vlak boven het land. Wat voor een wapens ze hebben, weten we niet, maar de dreiging is er wel degelijk.”

De eerste minister keek even over z’n bril en wierp vervolgens een blik op een rapport van Defensie. Het was kort en had een mooi tabelletje om te zeggen dat het leger niets kon verrichten wegens gebrek aan materieel èn personeel. “Goed. Hoe ver staan we met de archieven?” Tussen ’63 en nu waren er zestien verschillende regeringen geweest, veranderende posten en partijen – niemand die nu nog minister was, kon een beslissing of aankoop van vijftig jaar geleden verklaren of verantwoorden. Maar ze zaten wel met de gebakken peren. Het hoofd van het Rijksarchief was op de hoogte gebracht en bleef in contact via Binnenlandse Zaken. Daarnaast was elk kabinet en elke officiële instantie op zoek naar sporen, ook al wisten ze niet precies waarom. Deze minister consulteerde z’n Zwartbesje. “Nog niets. We zijn volledig verrast en ik vrees dat het nog een tijdje kan duren.”

Dat zinde de eerste minister niet, maar veel was er niet waar hij iets aan kon doen. “Organiseer een comité met afgevaardigden van de archieven en kabinetten. We hebben coördinatie nodig, mensen. Ik wil de geschiedenis niet in gaan als de man die zijn land liet vernietigen door buitenaardse wezens. En ik hoop dat voor jullie hetzelfde geldt. Dit is een echte crisis, geen ver-van-mijn-bed-show!”

Met deze woorden sloot hij z’n farde en liep weg van de tafel. “Tourette, volg mij!”

Tourette stond op en volgde z’n regeringsleider. De minister van Cultuur keek het paar na – jaloers en bedeesd. Toegegeven, zij zou nu niet aan het hoofd van het land willen staan. Toch zou het interessanter geweest zijn, moest ze betrokken worden bij de zoektocht naar een oplossing. Ze wisselde een blik met haar collega’s en stond zelf op van de tafel, op weg naar haar kantoor. Het geld was op volgens de gouverneurs van de nationale bank, daarom had ze een kabinet van amper vier medewerkers, een klusjesman, een poetsvrouw en welgeteld één informaticus. De meeste culturele centra die onder haar vaandel zaten, hadden veelal meer mensen ter beschikking dan zij om minder te doen. Maar ja, daarom wordt je zeker verkozen? Hard werk, veel werk, maar een miniem ingekort subsidiebudget. Het was een keuze die je maakte. Wanneer ze in haar kantoor stapte, wachtte haar een verrassing. Al haar medewerkers waren er, van Patrick tot Abdul, die soms Mohammed hielp met klussen.

“We weten dat er iets gaande is,” zei Katrien voor hen allen. “Iets met dat plakaatje. Laat ons helpen.”

De minister keek hen voorzichtig aan, woog de situatie af, en glimlachte. Haar collega’s mochten haar dan misschien niet verder willen betrekken dan nodig was, ze wist genoeg. Ze beschikte dan misschien niet over een diplomatenkorps of een leger verkeersagenten, haar arm was lang en haar medewerkers trouw. Dit was een kans – een nood. Die moest ze grijpen, op welke manier dan ook.

An idle thought

Some would say intelligent thought unlocks the world for our purview. Some would have you believe that the ability to abstract and comprehend is what separates us from savage beasts, that it is what makes us civilized. I say: balderdash. Those who see, will be disillusioned. Those who hear, fall silent. Those who perceive, falter. Let it be said that man, alike beast, is a fool who stumbles in the dark. Let it be said that even the stars that guide our dreams eventually fade away. Let it be known that man mustn’t, shouldn’t, couldn’t, but does, has and will.

soms droomt pinokio / soms ook niet

 Eind 2015 bracht ik mijn eerste dichtbundel uit, een eerste officiële uiting van mijn creativiteit. De bundel heet soms droomt pinokio / soms ook niet, kost €10 en was online en offline beschikbaar.

Poëzie is een niche-activiteit, literatuur een voorliefde, en het woord heerst over het ego. Net om deze redenen zorgde ik voor een lage instapprijs, beheerde het uitgeefproces volledig zelf en kan ik u mijn gedichten aanbieden op een medium waarop het gekoesterd kan worden.

Wil je een exemplaar? Binnenkort kan je via mijn website eentje reserveren.