in Nederlands

Zittende op een bank

Een vogel kwam aangevlogen uit het zuiden, cirkelde rond het veld, de beek, het kapelleke en de eenzame bomen die het landschap een hoogtepunt gaven, om vervolgens te landen op een tak van de grootste boom. Ge zit op een bankske en kijkt hoe de aankomst van één grote vogel duiven en mussen tot een volksverhuizing motiveert.

Het is na de middag en er zijn wel duizend-en-één zinvolle dingen die ge kunt doen, maar toch niet aan het doen zijt. Een mens, zo denkt ge in uw eigen, is toch ook maar geboren om te sterven – laat mij dan maar rustig genieten van dit moment, van de zon die op mijn gezicht schijnt en het leven dat hier dwaalt.

Vanachter het kapelleke stapt een man op u af. Hij draagt een bodywarmer, botten en heeft een pijp in z’n handen . “Awel, jong,” zo begint hij, “wat zit gij hier nu te doen? Moet gij niet studeren?”

Ge haalt uw schouders op en kijkt hem aan. “En gij? Wat doe gij hier?”

Hij wijst naar de achterkant van het kapelleke, waar ook een veld ligt. “’k Heb ons Andrien op de wei gezet.”

Ge schuift een beetje op wanneer hij zich naast u komt zetten.

“Nu pas?” vraagt ge. Het is tenslotte al juni.

Hij zucht. “Diene paardenklootzak heeft haar een paar weken geleden aangevallen.”

Ge had er al over gehoord, over de mysterieuze mens – vermoedelijk ne vent – die al enkele paarden in de streek geterrroriseerd en gemarteld heeft. “Andrien ook?”

Hij knikt, steekt z’n pijp in zijn mond en haalt een stekske boven om ze weer in gang te steken. “Haar wonden zijn al efkes genezen en ik dacht – ik kan haar ni eeuwig op stal houden.”

“Paarden zijn niet gemaakt om in stallen te leven,” beaamt ge.

Hij trekt een paar keer van zijn pijp en de rookwalm die rond hem hangt drijft naar u toe. Kersentabak, een vreemde verslaving. “Ge hebt nog altijd niet geantwoord op mijn vraag,” merkt hij op.

Ge zucht zelf ne keer. “De mens is niet gemaakt om in een kamerke boeken van buiten te leren, zeker niet als het boeken zijn over boeken of bagger gelijk dat. De mens is gemaakt om op een bankske te zitten niksen.”

Hij schudt met zijn hoofd. “Uw generatie is zo verwend. In mijnen tijd was het nog een privilege om te mogen studeren.”

Ge haalt zelf een sigaret boven en steekt ze op. “Hoe langer dat ik studeer, hoe zinlozer het allemaal wordt. Ge studeert om meer te weten over de wereld, maar het enige dat ge bereikt is dat ge deel wordt van een elitair gezelschap vakidioten.”

“Daar weet ik niets van,” geeft hij toe. “Ik heb nooit gestudeerd en uw ouders en grootouders ook niet. ‘k Ben ook nooit verder geweest als de kust hier in België, of ja – ene keer naar Rijsel, tien jaar geleden. Maar gij? Waar zijt gij al niet geweest?”

Ge denkt er effen over na. “Overal in Europa zo’n beetje. Turkije ook, maar ja, dat is eigenlijk al Europa.”

“Ah ja?” vraagt hij. “Dat wist ik niet.”

“Hoeveel Turken zitten er niet in Gent of Brussel? Hoeveel van die Turken gaan elk jaar terug naar hun geboortestreek, op vakantie? Als dat hun al niet Europees maakt, dan wel de geschiedenis.”

Het is duidelijk dat hij er nog nooit zo over had nagedacht. Ge kunt al voor u zien hoe in zijn hoofd alle Turken in België met hun Belgische auto’s toekomen in een vaag Turkije, hoe de confrontatie tussen emigranten en nablijvers een wisselwerking in gang zet die misschien niet onmiddelijk merkbaar is, maar wel zijn invloed achter laat.

Alsof hij niet tevreden is om de enige te zijn wiens mening gecorrigeerd wordt, vraagt hij nu aan u of ge dat allemaal wel geweten zou hebben, moest ge niet studeren.

Ge probeert het u in te beelden, uw niet-studerende zelf in een parallelle werkelijkheid, waar ge wellicht in een kantoor of een winkel aan ’t werken zou zijn, of misschien zelfs ’s nachts in de buitenlucht moest slapen omdat ge gene rotte frank zou hebben. “Waarschijnlijk ni,” concludeert ge. “Maar dat wilt alleen maar zeggen dat het geen tijdverspilling is geweest, dat ik ben beginnen studeren.”

“In tegenstelling tot de toekomst?” pareert hij.

Ge haalt uw schouders nogmaals op. “’k Zie gewoon het nut niet in om per sé een diploma te halen en ergens één of andere kutjob te gaan doen om dan veertig jaar later tot het besef te komen dat ik mijn leven verspild heb in dienst van.”

“Dat is misschien nog een verschil,” zegt hij tussen twee trekken door, “in mijnen tijd had ge het getroffen als ge ergens aan de slag kon voor gans uw leven.” Hij tokt wat as uit zijn pijp en moet ze opnieuw aansteken, want het brandende deel van de tabak was ook op de grond gevallen. “Maar ja, wij verwachtten misschien minder van ’t leven dan uw generatie. De wereld voelde kleiner aan vroeger.”

Ge smijt uw sigaret op de grond en trapt ze uit. “Terwijl ge nu duizenden kilometers kunt rijden en nog naar de Lidl gaan. Misschien hebt ge gelijk, misschien verlang ik teveel van ’t leven.”

“Pas op,” waarschuwt hij, “ik zeg niet dat dat iets slechts is, hé. Ik bedoel: ik ken tees dorp en dees streek gelijk gij ze nooit gaat kunnen kennen, maar zet mij in Spanje en ik loop verloren. Gulder zijt veel zelfstandiger, gulder kunt uldere plan trekken.” Hij denkt er nog wat verder over na. “Misschien is dat wel het probleem. Vroeger deed ge wat ge moest doen omdat er geen alternatief was.”

“Ik weet dat ik overal terecht kan,” bekent ge, “dus weet ik ook dat ik de zever van hier niet moet overnemen als ik dat niet wil.”

“Misschien, misschien,” antwoordt hij en is even stil. Hij kijkt op zijn horloge en begint op te staan. “Maar mag ik u vragen om der toch nog eens goed over na te denken?” Ge knikt bevestigend. “Wat ge ook gaat doen, zorgt er gewoon voor dat ge geen bruggen verbrandt, want – en dat is iets wat gij nog niet goed beseft – der zal wel nen dag komen dat ge terug over de rivier zult moeten gaan.”

Lang nadat hij vertrokken is, zit ge nog op het bankske. In de hoogste boom spreidt een vogel zijn vleugels en springt in het ijle, onderweg naar een volgend veld.

Reageer

Comment