in Nederlands

De eis

Het bericht bereikte de ministerraad via de minister van Cultuur. Het Museum van Afgrijselijke Kunst had het opgemerkt: een typmachine die uit zichzelf begon te tijpen op een stuk aluminium dat uit het niets verscheen. Ze hadden het – niet beter wetende – gefilmd. Tot de directeur van het museum had opgemerkt ‘wat’ er precies getijpt werd. Een boodschap. Een eis. In zes verschillende talen, gebruikmakend van letters die helemaal niet op het typmachine stonden. De directeur had het gelezen en direct geweten dat het om iets belangrijks ging. Het bericht las: “Belangrijk: bezorg deze boodschap aan uw leiders. Graag willen wij onze kinderen terug. Zij werden ontvoerd in 1963 op Mars en later verhandeld aan vertegenwoordigers van uw land. Doet u dit niet, dan genoodt het ons te zeggen dat uw planeet omsingeld is door gevechtsschepen. Wij hebben bommen en lasterstralen.” De directeur had onmiddellijk contact genomen met een bevriend lid van de subsidiecommissie, die vervolgens het kabinet van de minister waarschuwde. De minister had er vervolgens een archivaris op uitgestuurd en de ministerraad samengeroepen. Meestal wanneer er zo’n noodvergadering plaatsvond, was het vanwege Buitenlandse of Binnenlandse Zaken. De laatste tijd ook wel veel op aandringen van Economie en Ontwikkelingshulp, maar Cultuur? Nooit.

“En Dirk, wat zeggen onze ruimteobservatoren?” vroeg de eerste minister aan ’s lands voornaamste astronaut.

“Inderdaad, Rudy, er bevinden zich zo’n 314 ruimteschepen in een geostationaire baan rond de Aarde, allen houden ze koers vlak boven het land. Wat voor een wapens ze hebben, weten we niet, maar de dreiging is er wel degelijk.”

De eerste minister keek even over z’n bril en wierp vervolgens een blik op een rapport van Defensie. Het was kort en had een mooi tabelletje om te zeggen dat het leger niets kon verrichten wegens gebrek aan materieel èn personeel. “Goed. Hoe ver staan we met de archieven?” Tussen ’63 en nu waren er zestien verschillende regeringen geweest, veranderende posten en partijen – niemand die nu nog minister was, kon een beslissing of aankoop van vijftig jaar geleden verklaren of verantwoorden. Maar ze zaten wel met de gebakken peren. Het hoofd van het Rijksarchief was op de hoogte gebracht en bleef in contact via Binnenlandse Zaken. Daarnaast was elk kabinet en elke officiële instantie op zoek naar sporen, ook al wisten ze niet precies waarom. Deze minister consulteerde z’n Zwartbesje. “Nog niets. We zijn volledig verrast en ik vrees dat het nog een tijdje kan duren.”

Dat zinde de eerste minister niet, maar veel was er niet waar hij iets aan kon doen. “Organiseer een comité met afgevaardigden van de archieven en kabinetten. We hebben coördinatie nodig, mensen. Ik wil de geschiedenis niet in gaan als de man die zijn land liet vernietigen door buitenaardse wezens. En ik hoop dat voor jullie hetzelfde geldt. Dit is een echte crisis, geen ver-van-mijn-bed-show!”

Met deze woorden sloot hij z’n farde en liep weg van de tafel. “Tourette, volg mij!”

Tourette stond op en volgde z’n regeringsleider. De minister van Cultuur keek het paar na – jaloers en bedeesd. Toegegeven, zij zou nu niet aan het hoofd van het land willen staan. Toch zou het interessanter geweest zijn, moest ze betrokken worden bij de zoektocht naar een oplossing. Ze wisselde een blik met haar collega’s en stond zelf op van de tafel, op weg naar haar kantoor. Het geld was op volgens de gouverneurs van de nationale bank, daarom had ze een kabinet van amper vier medewerkers, een klusjesman, een poetsvrouw en welgeteld één informaticus. De meeste culturele centra die onder haar vaandel zaten, hadden veelal meer mensen ter beschikking dan zij om minder te doen. Maar ja, daarom wordt je zeker verkozen? Hard werk, veel werk, maar een miniem ingekort subsidiebudget. Het was een keuze die je maakte. Wanneer ze in haar kantoor stapte, wachtte haar een verrassing. Al haar medewerkers waren er, van Patrick tot Abdul, die soms Mohammed hielp met klussen.

“We weten dat er iets gaande is,” zei Katrien voor hen allen. “Iets met dat plakaatje. Laat ons helpen.”

De minister keek hen voorzichtig aan, woog de situatie af, en glimlachte. Haar collega’s mochten haar dan misschien niet verder willen betrekken dan nodig was, ze wist genoeg. Ze beschikte dan misschien niet over een diplomatenkorps of een leger verkeersagenten, haar arm was lang en haar medewerkers trouw. Dit was een kans – een nood. Die moest ze grijpen, op welke manier dan ook.

Reageer

Comment